|
Bij het beoordelen van erfelijkheid is onderscheid nodig tussen ouderdomsdementie en vroege vormen van dementie.
Ouderdomsdementie Het gaat hier om de vormen van onomkeerbare dementie die als regel alleen bij mensen van 65 jaar en ouder optreden, met name de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie.
Bij ouderdomsdementie is het apolipoproteïneE-gen (apoE) betrokken, dat op chromosoom 19 ligt. Het is een predispositie-gen. Dit wil zeggen dat de aanwezigheid ervan de kans op het optreden van dementie vergroot, maar niet meer dan dat. Van apoE komen verschillende versies voor. De belangrijkste hier is apoE4, dat ook in verband wordt gebracht met hart- en vaatziekten. Elk gen bestaat uit 2 allelen, 1 daarvan komt van de vader, de ander van de moeder. Bij dragerschap van een apoE4-allel is de kans dat iemand dementie krijgt 1,7 maal zo groot als voor de bevolking in het algemeen. Bij 2 van die allelen is die kans iets meer dan 6 maal zo groot.
Van de hele blanke bevolking in Nederland is ongeveer 16% drager van minstens een apoE4-allel. Daarentegen draagt van de mensen met de ziekte van Alzheimer 40% tot 50% minstens 1 zo'n allel. Naar schatting verklaart het dragerschap van apoE4 1 op 7 van de gevallen van de ziekte van Alzheimer onder de blanke bevolking in Nederland.
Veel personen met dementie hebben dus niet het apoE4-gen. Het omgekeerde geldt ook: veel dragers van dit gen krijgen geen dementie. Erfelijkheid zegt met andere woorden lang niet alles. Er zijn vele andere factoren in het geding, al of niet in wisselwerking met erfelijkheid.
Erfelijke vroege dementie Erfelijkheid speelt wel een sterke rol bij vroege dementie, die zich bijna altijd openbaart voor de leeftijd van 60 jaar. De oorzaak is een verandering (mutatie) in een gen. Er zijn 3 genen bekend waarin een mutatie tot dementie kan leiden. Erfelijke vroege dementie maakt nog geen 1% uit van alle Alzheimer-dementie onder de bevolking.
|